Paranormale werkweken met paragnost André Groote in Frankrijk. Tijdens enkele van deze werkweken had hij de volgende bijzondere ervaringen: 

Rumpf, de gebochelde van Rosheim

 

Dinsdagmiddag rond 13.30 uur gingen we met de hele groep naar een Wodanseik, oftewel een heilige eik. Een prachtige plek in het bos, niet ver van een kleine parkeerplaats. Bij de eik aangekomen, was ik toch even zo egoïstisch om er als eerste tegenaan te gaan staan. Ik kon het niet laten. En dat was maar goed ook.

Daarna ging iedereen om de beurt. Het was prachtig en zeer krachtig. Maar ik was er met de kop niet bij. Alles wat er om me heen gebeurde, was 'just the side line'.

Mijn voornaamste aandacht ging naar twee zaken: de auto's op de parkeerplaats, glimmend tussen het voorjaarsgroen te zien, en de eik.
De eik zei me: "Er komt gevaar uit de richting waar de auto's staan". Ik zei het drie keer heel hard zonder dat er ook maar iemand van de groep erop reageerde.

Toen hoorde ik wat. En bij de herdershond in mij gingen de oren nog rechter op staan. Plotseling zag ik een vreemde jongen naar mijn auto lopen en naar binnen kijken. In een reflex klapte ik een keer keihard met mijn handen. Het knalde door het bos. De jongeman keek mijn richting uit. Hij moet mij maar vaag gezien hebben tussen het bladerdak door en riep keihard: "Polizei", waar ik op dat moment niets van begreep.

De rest van de groep was ondertussen ook wakker geworden en rende in een soort vreemde slowmotion naar de parkeerplaats. Ze waren met zijn drieën en al gevlucht. Bij één van de auto's van onze groep was een achterraampje ingetikt en de achterbank naar voren geklapt. Gelukkig was er niets meegenomen. Ze waren erg geschrokken van de Parapolizei. Want die rol vertolkte ik blijkbaar die dag. Tot na 10 minuten bij mij het kwartje viel.

Ik had kort daarvoor een militair T-shirt gekregen dat ik die dag voor het eerst droeg. Tussen de middag had ik me omgekleed voor we naar de heilige eik gingen. Ik had het T-shirt aangedaan en een zwart sportjack. Zodoende dachten ze dat ik van de politie was. Ik wil verder ook helemaal niet weten hoe het zonder dat T-shirt zou zijn afgelopen.

Ik ging met de deelnemers van de kapotte auto naar de Citroëngarage in een plaats vlak in de buurt. Dus de geplande trip van de drie meiden, van wie de auto was, kon niet doorgaan. We hadden precies genoeg auto's voor de werkgroep. De kapotte auto bleef in de garage en de drie meiden moesten bij mij in de auto.

Ik vond dat we na alle commotie wel iets lekkers verdiend hadden. Dus we gingen naar een andere plaats in de buurt waar de oudste Konditorei van Frankrijk is gevestigd, voor een lekker taartje met koffie.

Recht tegenover deze Konditorei staat een heel oude Romaanse kerk. Het is inmiddels een ingeslopen gewoonte (want om de beurt komt de hele groep hier wel eens voor een kop koffie met gebak) om eerst de kerk in te gaan.

Niet dat daar wat te zien is, want het is eigenlijk een vreselijk saaie, nare kerk. Maar toch. Tijdens het lopen in de kerk kwam ik op een mij zeer bekend ander paranormaal niveau.

Na een paar maal te hebben stilgestaan, moest ik naar een hoek toe waar ik, naar ik me later realiseerde, nog nooit geweest was, of die ik misschien onbewust wel gemeden had. Naarmate ik dichterbij kwam, werd ik overmand door zo'n intens verdrietig gevoel dat ik bijna moest huilen. Als door iets anders buitenom mij aangestuurd, liep ik de kerk uit. Zes treden van de trap af, rechts het straatje in richting stadspoort, stak over; tussen twee huizen was een doorgang. Daar moest ik langs om het stadje uit te kunnen komen. Maar het was privé-terrein en aan het einde stond een muur.

Ik liep weer terug naar de kerk, vroeg de meiden om met me mee te lopen, liep naar dezelfde hoek als waar ik vandaan kwam, ging staan en deed mijn ogen dicht.

Ik voelde met mijn handen de ijzeren constructie van een kooi waarvan ik wist dat die daar in de Middeleeuwen had gestaan.
Ik was blind, had een bochel, liep mank en men schold mij uit voor Rumpf. Maar mijn werkelijke naam was Hans, meer niet.
Ik was niet alleen in die kooi. Mijn moeder was er ook. Ze hadden het gehad met ons.
Het stadje wilde ons kwijt. We werden tot heksen gebombardeerd.
En we wachtten in de kooi tot de brandstapel klaar was.

Die keurige nette mensen in dat keurige nette stadje - moordenaars, dat waren het toen.

Wij woonden net buiten het stadje, daar waar ik net wilde doorlopen, maar waar nu de muur staat, in een soort hut, half in de grond.
We waren straatarme, bange wezens die er alles aan deden te overleven. Soms was er wat meel en dan bakte ze een brood in een open vuur. Als het dan helemaal zwart was, was het binnenin gaar. Met een scherp voorwerp schraapte ze de zwarte buitenkant eraf en binnenin was het mooi blank en eetbaar. We vulden onze dagen met het zoeken naar voedsel.

Vooral de jeugd sloeg mij en schold mij uit voor Rumpf. Ik kwam vaak thuis onder het bloed.
En dan zei mijn moeder, aaiend: "Je bent niet slecht hoor Hans, want je bent van binnen de mooiste mens die ik ken".
Nu zaten we in die kooi. En ik had niet veel zin om dat wat daarna nog zou gaan gebeuren ook te aanschouwen.
Ik kon met moeite uit mijn trance komen. De hele dag bleef ik verschrikkelijk verdrietig en elke keer als ik er weer aan denk overvalt me dat verdriet weer, ook nu.

Tegelijkertijd dat ik dit ervoer, zag ik een priester met een lang zwart gewaad de kerk in komen.
Ik vond hem een griezel. Hij ging op onze hoogte in de kerkbanken knielen en zogenaamd bidden. Hij hield ons continu in het oog.

Op het moment dat ik ophield te vertellen wat ik ervoer, stond hij op en liep hij naar de uitgang. Daar bleef hij staan.

Ik liep naar hem toe en vroeg hem zonder blikken of blozen of er hier in de Middeleeuwen ook heksenverbrandingen waren geweest. Eerst zei hij: "Ik ben niet van hier". Toen liep hij naar een pilaar - dat wist hij dus wel - waar informatiefolders hingen, pakte er één, gaf hem aan mij en sprak de historische woorden:

"Als het hier niet in staat, is het nooit gebeurd!" Waarop ik zei: "...en de holocaust heeft ook nooit plaatsgevonden". En foetsie was hij.

We liepen met ons vieren de kerk uit en kwamen onder aan de trap, met rechts onze auto.

Links kwam er ineens een non aanlopen in ouderwetse, gescheurde en kapotte nonnenkleding. Ze keek alleen maar naar mij onder het lopen. De meiden keken ook stomverbaasd naar haar. We hadden hier nog nooit een non gezien. Ze bleef naar me kijken, tot ze uit het zicht verdwenen was. Het was een verschijning. Het was niet echt - dat weet ik zeker.

De keren dat ik daarna nog in het stadje ben geweest was de bevolking zeer argwanend tegenover mij. Sommigen liepen wel tot drie keer terug naar hun auto, om te controleren of ze hem wel op slot hadden gedaan en ze bleven allemaal naar me omkijken.

Ik hoop maar dat Rumpf nu rust heeft met mij en ik met Rumpf.

Hoe ze ook kijken, wat ze ook zeggen, laat ze maar.

Als ik later met de meiden het stadje verlaat, borrelen er ineens woorden in zinnen bij ons op. We zoeken een verdwaald stukje papier in de auto en schrijven het op. Zijn verhaal, opnieuw verteld in deze tijd.

Rust zacht Hans!!

 

 Agnus Dei

De wereld, te donker

Mijn hart, te zwaar, om open te bloeien

De slagen, troffen mijn ziel

Tot ik..... kleiner en kleiner, dieper en dieper,

weggleed in open wonde

Haat..... niet te koop,

weggegeven door de domme, zomaar..... om niet......

Ik..... de Kromme!, Rumpf!,

wordt pijn onpeilbaar diep, om niet!, om niet!

Zij slaan, naar leegheid, in eigen hart,

missen de wijsheid, die ik al eeuwen bezat.....

't Is waar, mijn blik..... te leeg, maar ik zie!!

Mijn huid, gewond..... draagt toch de liefde

Ik wist van leven, reeds lang voorzegd,

van verder nog, reeds lang voldragen

Ik heb geen vragen meer.....

dit leven droeg mijn laatste 'zeer'

 

 

Madame d' Hell komt thuis

 

Zondagavond

We waren nog maar met een paar mensen in het hotel. De rest van de werkweekgroep zou die dag komen.
Ik was net van plan om naar de ontbijtzaal te gaan, toen ik twee korte bescheiden tikjes op de deur hoorde. "Ja", riep ik, "ik kom eraan".

Ik deed de deur open. Niemand te zien of te horen op de lange gang met houten vloeren. "Nou ja, 't zal wel", dacht ik en ging naar beneden om te ontbijten.

Die dag heb ik met de kleine groep een prachtige, nieuwe plek ontdekt: Keltisch en voor-Keltisch.

Een dal gezien met een heilige plek om nooit te vergeten. Het zat heerlijk in mijn hoofd en als ik mijn ogen sloot en eraan terugdacht, was ik terug bij het begin toen alles nog HEEL was.

Dinsdagochtend

We zaten aan het ontbijt. Ineens realiseerde ik me, dat ik buiten een vrouw zag lopen met een hoepelrok en dat ik haar al een paar keer had gezien.

Maar het kwam me zo gewoon over, dat ik op dat moment pas de rariteit ervan ervoer. En dat zij natuurlijk ook niet echt liep, maar dat ik haar alleen maar zag.

Nog een paar keer verscheen ze in mijn parablikveld op de meest onverwachte momenten die dag.

Op deze plek staan nu het hotel, een huis met nog de gevangenismuren erin te zien en de kerk. Van het oude dorp bleef slechts één huis staan. Dit huis viel onder monumentenzorg.

Maar het dorp heeft het huis nooit zien zitten, wilde het weg hebben met de smoes, dat het gevaarlijk zou zijn.

In werkelijkheid waren ze bang voor madame d'Hell die er spookte. Want de vroegere eigenaren van het slot waren ook de eigenaren van het oude dorp.

"Een maand geleden", vertelde Evelien, "is ondanks veel protest van verschillende historische verenigingen in de buurt, met toestemming van de provincie, het oude huis toch afgebroken". Dus sinds een maand was Madame d'Hell zwervende.

Donderdagochtend

Weer net voor het ontbijt.

Twee bescheiden tikjes op de deur van de hotelkamer. Ik riep: "Ja" en deed de deur open. Er was weer niets te zien.

Maar Madame d'Hell, weet ik, is thuis gekomen.

 

André Groote, februari-2004